Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4473

Datum uitspraak2004-09-23
Datum gepubliceerd2005-02-10
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers03 / 1110 AW V1 A
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eiser heeft aangegeven bezwaar te maken tegen de mededeling dat zijn functieherwaardering niet doorwerkt in zijn FPU- en pensioenaanspraken.


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Sector Bestuursrecht Enkelvoudige Kamer Registratienummer: 03 / 1110 AW V1 A UITSPRAAK in het geschil tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. H.G.M. van de Veerdonk, werkzaam bij Abvakabo, Regiokantoor Oost te Deventer, en Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 4 november 2003. 2. De feiten en het verloop van de procedure Eiser heeft bij brief van 29 september 2003 aangegeven bezwaar te maken tegen de mededeling dat zijn functieherwaardering niet doorwerkt in zijn FPU- en pensioenaanspraken. Verweerder heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift. Aangezien verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft geacht, heeft hij afgezien van het horen van eiser. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser is het blijkens zijn beroepschrift van 15 december 2003 niet eens met de bestreden beslissing van verweerder. Bij schrijven van 13 januari 2004 heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld. Verweerder heeft de op het beroep betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 15 september 2004, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.P.M. Duijff. 3. Overwegingen Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hij heeft hierbij overwogen dat uit het pensioenreglement volgt dat het pensioengevend salaris is gebaseerd op het januarisalaris uit het jaar voorgaand aan het jaar van pensionering. Dat januarisalaris kan niet worden gewijzigd als gevolg van wijzigingen na de betreffende datum. De enkele mogelijkheid hiertoe is wanneer er sprake is van een aperte fout. Verweerder is van mening dat daar in het geval van eiser geen sprake van is. Eiser is van mening dat het geherwaardeerde salaris door dient te werken in zijn eventuele FPU-uitkering per 1 januari 2004. Het betreft hier volgens eiser een aperte fout, de inschaling van eiser is onjuist gebleken, waardoor zijn salaris wel met terugwerkende kracht zou moeten worden gewijzigd. In zijn verweerschrift voert verweerder aan dat er een nieuw functiewaarderingssysteem is ingevoerd, als gevolg waarvan aan de functie van eiser een hogere waardering is toegekend. De nabetaling die hiermee verband hield is met terugwerkende kracht aan eiser betaald. Er is dus geen sprake van een aperte fout, zodat het januarisalaris van eiser niet met terugwerkende kracht kan worden gewijzigd. De rechtbank overweegt als volgt. Voorop gesteld dient te worden dat het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) de pensioeninstantie is, en dat die instantie de pensioenen van onder meer de ambtenaren, waaronder eiser, regelt. Verweerder moet als werkgever naar het Abp toe ieder jaar de gegevens van het januarisalaris van zijn werknemers door te geven. Op grond van het Pensioenreglement van het Abp geldt het zogenaamde peildatumsysteem en vormt het januarisalaris de basis voor de berekening van het pensioen van een ambtenaar. Het Abp volgt daarbij de regel dat een doorgegeven januarisalaris slechts kan worden gewijzigd in geval van een aperte fout of een tot het Abp gerichte rechterlijke uitspraak. Zoals ter zitting is gebleken kan verweerder als werkgever aan het Abp een verzoek doen om het januarisalaris van een van zijn werknemers te wijzigen. Het is daarbij echter het Abp dat beslist of aan dit verzoek wordt voldaan. Verweerder heeft eerder een aantal van dergelijke verzoeken gedaan in verband met de door hem gevoerde algehele functieherwaardering, maar deze verzoeken zijn door het Abp afgewezen onder de motivering dat een functieherwaardering geen geldende reden is om het januarisalaris te wijzigen. In het licht van deze ervaring heeft verweerder aan eiser met zijn bestreden besluit mede gedeeld dat het salarisinkomen van eiser niet kan worden gewijzigd als gevolg van de functieherwaardering. Feitelijk heeft verweerder daarmee dus te kennen gegeven dat hij geen wijzigingsverzoek met betrekking tot het januarisalaris namens eiser aan het Abp heeft willen doen. Verweerder heeft hiermee, gelet op zijn eerdere ervaring en de regelgeving van het Abp, naar eiser toe juist gehandeld. Gelet hierop heeft verweerder kunnen volstaan met het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond te verklaren. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser voor de eerste maal verzocht om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding vanwege de lange periode die verweerder nodig heeft gehad om de functieherwaardering door te voeren en de schade die eiser daardoor lijdt. Anders dan de gemachtigde van eiser ter zitting heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat hij dit verzoek in een te laat stadium heeft gedaan. De opmerking van eiser in zijn bezwaarschrift, waarnaar in het beroepschrift is verwezen, dat hij niet de dupe wenst te zijn van de handelswijze van de trage afhandeling van de procedure van de herwaardering, is hiertoe in ieder geval onvoldoende. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan dit verzoek. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte in stand kan worden gelaten en zal zij het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. Beslist wordt derhalve als volgt: 4. Beslissing De Rechtbank Almelo, Recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Gewezen en in het openbaar uitgesproken op door mr. R.J. Jue, in tegenwoordigheid van G. Kootstra, griffier. Afschrift verzonden op mtl